Ekstergans
Anseranas semipalmata
De Ekstergans is de enigste soort in de sub-familie Anseranatinae. De mannetjes zijn groter dan de vrouwtjes, maar het duidelijkste verschil van geslacht is de schedelknobbel van het mannetje; deze kan tot 4 cm hoog worden.
In Australië, Nieuw-Guinea en soms Tasmanië leven deze vrij primitieve 'steltlopers' bij het water, maar ze zwemmen niet vaak. Ze hebben nauwelijks zwemvliezen in tegenstelling tot de andere eend-achtigen.
De Ekstergans heeft niet eenmaal per jaar een eclipsrui maar verliest zijn veerpennen verdeelt over het hele jaar zodat hij het hele jaar kan vliegen. Hierdoor kan het verenkleed er soms verward uitzien, omdat er altijd wel een paar veren verwisseld moeten worden.
Ze zoeken vaak een hoge tak of hoogspanningsmasten uit om op te slapen.
Het zijn vrij merkwaardige ganzen, dat men heeft getwijfeld of het eenden of ganzen waren blijkt wel uit de twee namen in de wetenschappelijke naam: 'Anser' staat voor gans en 'Anas' staat voor eend.
Ze leggen 1 tot 16 eieren welke na 26-30 dagen uitkomen.
Deze aparte ganzen worden niet vaak gehouden en slechts de verzamelaar heeft nog wel eens een paartje rondlopen. Het zijn absoluut geen winterharde ganzen, want deze tropische soort heeft geen zwemvliezen en de poten bevriezen dan ook erg snel.
Als men een koppel van deze ganzen heeft en deze aan natuurbroed laat doen kan men hier veel plezier aan beleven, want de kuikens worden door de ouders gevoerd en zijn dus niet zelfstandig zoals alle andere ganzen! Ring de jonge gansjes als ze 21 dagen oud zijn met ringen van 16 mm.
© Jan Harteman / Harteman Wildfowl / www.harteman.nl
© Jan Harteman
Engels: Magpie goose
Duits: Spaltfußgans
Frans: Oie semi-palmeé
Zoals u kunt zien kunnen Eksterganzen zeer tam worden.
De ganzen hierboven worden in de collectie van Sylvan Heights Waterfowl (USA) gebruikt voor educatie van publiek.
De primitieve poten van de Ekstergans hebben, zoals andere watervogels, nog geen volledige zwemvliezen.
Door deze eigenschap zijn ze er niet goed op gebouwd om te zwemmen, maar des te meer om hoog in de bomen hun slaapplaats te vinden. Door hun lange tenen kunnen ze zich namelijk goed vastgrijpen aan de takken.
© Jan Harteman