Talingen
Door I. Depotter

Als je als watervogelliefhebber slechts over een beperkte ruimte voor een eendenperk beschikt, dan zijn grotere soorten zoals zwanen en ganzen niet de aangewezen watervogels om te houden. Talingen daarentegen komen wel in aanmerking om op een beperkte oppervlakte gehouden te worden. Talingen behoren door hun afmetingen tot de kleinere eendensoorten en kunnen met goed gevolg op een kleinere ruimte gehouden worden. Ze laten meestal ook de beplanting intact zodat de omgeving met allerlei beplanting kan versierd worden. Siergrassen en dwergeoniferen zijn dan wel de meest geschikte beplanting.

Talingen behoren meestal tot de Grondeleenden (of Zwemeenden) en enkele tot de Roestende eenden. De naam taling is niets meer dan maar een benaming en duidt ook niet op verwantschap. In de ene taal wordt trouwens de naam taling gebruikt, terwijl in een andere taal de naam eend in omloop is en vice versa. Een voorbeeld hiervan is de Sikkeleend (Anas falcata), die ook in het Frans als eend bestempeld wordt (canard á faueilles), en in het Engels een taling is (Falcated Teal). De naam Bronskoptaling in het Nederlands is trouwens een onjuiste benaming en een overblijfsel uit het boek 'Watervogels van de Wereld' door Soothill en Whitehead, vertaald uit het Engels door mensen die wel geschikt waren voor vertaalwerk maar die toch niet over de correcte benaming van onze watervogels beschikten. Daarom hoop ik dat deze foutieve benaming zo vlug mogelijk in onbruik geraakt omdat het alleen maar verwarring schept.

Talingen zoeken in de natuur hun voedsel overwegend grondelend in ondiep water. Ze liggen ook hoger op het water dan de duikeenden en zijn op het land vrij behendig omdat hun poten in het midden van het lichaam staan. De meeste talingen zijn niet of weinig agressief tegenover anderen en zijn rustig van aard. In Europa is de wintertaling de kleinste taling. De hottentottaling, afkomstig uit Afrika, is de kleinste van alle talingen. Heel wat eendensoorten hebben de naam taling meegekregen. In onderstaande overzicht beperk ik me tot de herkomst, het houden en fokken en enkele specifieke kenmerken en ervaringen.

Roodschoudertaling (Callonetta leucophrys)

Nummer één onder de talingen is ongetwijfeld de Roodschoudertaling, die ook wel eens foutief Ringtaling genoemd wordt naar de slechte vertaling uit het Engels (Ringed teal).
Deze Zuid-Amerikaase parel is voor de beginnende liefhebbers een heel aantrekkelijk eendjes en kent bovendien geen eclipsrui. Ze zijn erg sociaal en verdragen onze kwakkelwintertjes redelijk, niettegengestaande hun tropische afkomst. Bij strenge winters kunnen ze buiten blijven mits ze over enige beschutting en over open (stromend) water beschikken.
Als broedgelegenheid geven ze de voorkeur aan hoog geplaatste nestkasten en het grootbrengen van de kuikens kan best door moeder gebeuren, die daarbij wordt geholpen door de woerd. De kuikens hebben de eerste dagen wel wat warmte nodig.
Op een enkele uitzondering na zijn roodschouders late broeders (juni-juli) maar ze broeden tot het late najaar tot soms zelfs in de winter.
Ook de blonde Roodschoudertaling treft men aan bij de liefhebbers.

Wintertaling (Anas crecca)
Deze taling is verdraagzaam en weinig veeleisend. Ze nestelen bij voorkeui tussen de dichte begroeiing. De kuikens zijn de eerste dagen nogal kwetsbaar en gevoelig voor slechte weersomstandigheden, maar ze groeien ontzettend vlug.
Naast de Europese (Anas crecca crecca) soort kent men nog de Amerikaanse wintertaling (Anas crecca carolinensis), herkenbaar aan de witte verticale band tussen borst en flanken. Deze laatste is over het algemeen ook iets rustiger dan de Europese naamgenoot.

Versicolortaling (Anas versicolor)
De natuur heeft bij de Versicolortaling wel met een zeer fijn penseel gewerk de kleurencombinaties zijn buitengewoon fraai en woerd en eend zijn vrijwel wel gelijk getekend. Deze Zuid-Amerikaanse soort is vreedzaam, niet veeleisend en vrijwel winterhard. Het nest ligt verborgen tussen de vegetatie op drogere grond. De Versicolortaling is geslachtsrijp op éénjarige leeftijd maar broedt pas in het tweede jaar.

Hottentottaling (Anas hottentota)

Deze Oost-Afrikaanse taling is merkelijk kleiner dan de bovenstaande soort, heeft ook een donkere bovenkop, geen gestreepte maar bruine flanken. Het eendje is bijna identiek getekend. Het is een productief eendje geworden in de liefhebberij. Menig paartje broedt het jaar rond. In verband met hun kleine afmetingen zijn voorzorgstnaatregelen te treffen (maaswijdte afsluiting e.a.).

Punataling (Anas puna)
Deze eveneens uit Zuid-Amerika afkomstige taling lijkt wat op de versieolor wat tekening betreft, maar is aanmerkelijk groter. De flanken van de woerden hebben fijne strepen, terwijl eendjes breder gestreepte flankveren hebben. Vele bij de watervogelliefhebbers voorkomende Punatalingen zijn ondermaats maar het moeten forse eenden zijn met een verhoudingsgewijs lange blauwe snavel zonder geel aan de basis. Deze soort komt ook minder talrijk voor in de liefhebberij.

Baikaltaling (Anas formosa)
Dit prachtig getekende eendje is thans makkelijk te houden en te kweken, maar het was ooit anders. Ze zijn verder verdraagzaam tegenover andere soorten maar de woerden tonen tijdens het broedseizoen nogal eens teveel interesse voor aanverwante soorten waar dan ook dikwijls prachtig getekende eenden uit voortkomen, maar die voor ons liefhebbers totaal waardeloos zijn.
Hun nesten bouwen ze op droge gronden en zeer goed verscholen tussen de vegetatie. De kuikenopfok verloopt probleemloos en ook deze kuikens groeien uiterst snel.
De zilverkleurige variëteit heeft sinds enkele jaren ook zijn entree gemaakt.

Zomertaling (Anas querquedula)

Naast de in het noorden voorkomende Wintertaling heeft deze soort haar broedgebieden in Eurazië in de gematigde klimaatzone. Het is een aantrekkelijk gekleurde eend, verdraagzaam, niet veeleisend, maar minder winterhard. Vooral tijdens vochtige en winderige koude winterdagen lijden ze fel en zitten ze ineengedoken. Nestelen doen ze gemakkelijk aan vijvertjes met een dichte oeverbegroeiing. Ze broeden vast en brengen hun jongen prima groot. Ze broeden doorgaans pas vanaf hun tweede levensjaar.

Blauwvleugeltaling (Anas discors)
Deze Noord-Amerikaanse taling is de tegenhanger van de zomertaling. Is ook gemakkelijk te houden en verdraagzaam en beperkt winterhard. Fokken doen ze gemakkelijk en hun nest bouwen ze dicht bij het water tussen de vegetatie. De kuikens zijn in het begin wat schuw en vatbaar voor regen en kou.

Kaneeitaling (Anas cyanoptera)
Een Amerikaanse taling, die ook nauw verwant is aan de blauwvieugel- en zomertaling. Ze zijn niet altijd verdraagzaam en ook beperkt winterbard. Ze nestelen in de dichte vegetatie en kuikenopfok gebeurt probleemloos.

Zomertalingen, blauwvleugeltalingen en kaneeltalingen mogen nooit samen gehouden worden binnen dezelfde afrastering tijdens het broedseizoen omwille van hun nauwe verwantschap, waardoor kruisingen niet te vermijden zijn.

Marmertaling (Marmaronetta angustirostris)
klik voor de site van Steve Desloover
Een vredelievende eend, afkomstig uit Zuid-Europa, Noord-Afrika en Zuidwest-Azië. Ze fokken gemakkelijk en ook de kuikens komen vlot tot volwassenheid. Ze hebben geen in het oog springende kleuren, en grijstinten voeren de bovenhand. Deze taling heeft het in de natuur sterk te verduren, vooral door drooglegging van broedgebieden.

Braziliaanse taling (Amazonetta brasiliensis)
Een wat minder voorkomende taling, die echter omwille van zijn niet erg verdraagzaam karakter afzonderlijk wordt gehouden. Een pluspunt daarentegen is zijn vertrouwelijk karakter ten opzichte van mensen. Ook deze soort kent geen eclipsrui.

Andere talingen

  • Chilitaling (Anas flavirostris flavirostris)
  • Scherpvleugeltaling (Anas flavirostris oxyptera)
  • Andestaling (Anas flavirostris andina)
  • Meridataling (Anas flavirostris altipetens)
    Deze 4 bovenstaande talingen zijn de Zuid-Amerikaanse tegenhangers van de Wintertaling. Chili- en Scherpvleugeltaling komen veelvuldig bij liefhebbers voor. Gedragingen en fok zijn ook identiek aan de Wintertaling. Andes- en Meridataling zijn veel donkerder van kleur en komen niet of slechts sporadisch voor bij liefhebbers.

    Kaapse taling (Anas capensis)

    Mooi getekende taling: zwarte veren wit/bruin omzoomd met rode snavel en rudimentaire kuif. Eerder agressief van aard, maar produktief.

    Laysantaling (Anas laysanensis)
    Deze soort komt slechts voor op Laysan, een eiland van 3.700 km2 in de Stille Zuidzee. In de natuur erg bedreigd omwille van het kleine verspreidingsgebied. Heeft bruine veren met een lichtbruine zoming en een onregelmatige witte stippeling rondom het oog, die varieert met het ouder worden. Fokt zeer gemakkelijk en er zijn talloze mutanten ontstaan in avicultuur.

    Ook kan nog de Witkeeltaling (Anas gracilis) genoemd worden, maar dit is slechts een zeldzame verschijning bij de liefhebbers.

    Ignaas Depotter
    i.depotter@telenet.be

    Uit: Aviornis International, nr. 155 (oktober 2000)